Op 17 maart 1945 werd de Tilburgse Coba Pulskens, toen zestig jaar oud, in Ravensbrück vermoord. Haar misdaad was dat zij in haar woning onderdak had geboden aan joden, verzetslieden en geallieerde piloten. Wat die mensen waren of deden was illegaal onder de door de Duitse bezetter ingevoerde wetten. Nazi-wetten, voor de goede orde, fascistische wetten. Ook hulp bieden, was strafbaar. Ook met de dood. Sinds de bevrijding beschouwen we deze hulp als een dappere vorm van verzet tegen een misdadig regime.
Althans, dat was tot voor kort het geval. In de late avond van 3 juli 2025 stemde de Tweede Kamer met ruime meerderheid in om opnieuw zowel ‘illegalen’ als ‘hulp aan illegalen’ strafbaar te stellen. Nog niet met de doodstraf, maar wie weet wat een volgende regering ons brengt. We hebben nu in Nederland een democratisch gekozen regering die fascistische wetten opnieuw invoert. Ik schaam mij diep. Waar kan ik mijn paspoort inleveren?
Coba Pulskens zou de lichamen van de drie piloten die op 9 juli 1943 in haar huis door een overvalcommando van de Sicherheitspolizei werden doodgeschoten, hebben bedekt met een Nederlandse vlag. Of dat waar is, staat niet vast, maar de symboliek is duidelijk. Onder diezelfde vlag dreigt Nederland nu een fascistisch land te worden. Als het dat niet al is. Onder die vlag kan ik mij niet meer vertonen. Gedenken en vieren zoals op 4 en 5 mei zijn zinloze, cynische en vanaf nu zelfs kwaadaardige activiteiten geworden. De overheid is weer de vijand. Verzet wordt strafbaar, maar is weer net zo nodig als in 40-45. Temeer daar ook lagere overheden de rug steeds minder recht weten te houden. ‘Overheden en andere ondermijnende instanties’ in de woorden van de Zuid-Afrikaanse zanger Koos Kombuis.
Gelukkig was Coba Pulskens niet de enige die tijdens de Duitse bezetting in verzet kwam en hielp, ook waar dat verboden en gevaarlijk was: ‘Waar geholpen moet worden, zal ik helpen.’ Ik ken haar verhaal, omdat ik opgroeide in Tilburg waar haar naam altijd rond zong. Overal in Nederland waren er mensen die opstonden om het goede te doen. Niet massaal, zoals later wel werd gesuggereerd, maar ze waren er en betaalden vaak de prijs.
Van een van deze mensen ken ik het verhaal goed doordat ik samen met een collega zijn biografie schreef. Dat deden we toen niet omdat hij verzetsman was, maar vanwege zijn grote verdienste in de Keltische studies in Nederland en daarbuiten. Theodor Max Chotzen (1901-1945) was joods, al beleefde hij dat zelf niet zo en heeft hij ook nooit een gele ster gedragen. Zijn zus en zwager beleefden hun joods-zijn wel. Zij pleegden met hun gezin enkele dagen na de Duitse inval zelfmoord – de vrees voor wat komen ging was voor hen te groot. Theo Chotzen onderscheidde zich door dapperheid in de strijd op de Grebbeberg en raakte tijdens de bezetting betrokken bij het verzet in zijn woonplaats Den Haag. Na verraad kwam hij in januari 1945 terecht in Scheveningen – in het ‘Oranjehotel’ waar zijn cel nu deel uitmaakt van het Nationaal Monument (hoe lang nog?) – waar hij tijdens verhoor omkwam. Doodgeranseld, denk je dan, maar daar bestaat geen verslag meer van. Zijn graf is onbekend. Zijn vrouw en dochter werden tegelijk met hem gearresteerd, maar kwamen vrij op 27 februari. Een overlijdensverklaring ontving zijn weduwe pas half maart 1946.
Natuurlijk. Naar de wetten van toen waren Coba Pulskens en Theo Chotzen illegaal en hielpen zij illegalen. Dus ‘eigen schuld dikke bult’. Dat waren de wetten van de fascistische bezetter waarvan we meteen na de bevrijding afstand namen, waarmee de ‘terroristen’ als Pulskens en Chotzen de helden konden zijn die zij daadwerkelijk zijn geweest. Maar nu? Voeren we die fascistische wetten echt opnieuw in? Worden mensen als Coba Pulskens en Theo Chotzen weer ‘illegaal’ en vinden wij het opnieuw terecht dat zij worden opgepakt en gestraft? ‘Geen prioriteit’, zegt de minister die demissionair is en niet over zijn graf regeert. Wat zal zijn opvolger zeggen? Loze woorden dus, zoals zo vaak in Den Haag.
De gewetenloosheid van de huidige Tweede Kamer blijkt ruimschoots groot genoeg om dit onheil over ons af te roepen. Mijn hoop is nu gevestigd op de Eerste Kamer en op de Raad van State. Ik houd mijn hart vast. Zelfs het CDA (christelijk?) is voor een strengere asielwet. Dus liever niet helpen ‘waar geholpen moet worden’. Putten, een christelijk dorp aan de rand van de Veluwe, betaalde in 1944 de hoogste prijs voor een verzetsdaad. Stierven die 552 mannen voor niets? Waren de leden van de Puttense verzetsgroep laffe criminelen? Wil het CDA daar nog eens over nadenken?
En wat met Artikel 1 uit de Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’ Mooie woorden, maar niet meer dan dat. Loze woorden, geen enkele prioriteit, geen enkel geweten.
Als historicus weet ik dat we van de geschiedenis niks leren. Geen idee of dat cynisch is of getuigt van realiteitszin. Geen idee ook of ik de moed zal hebben om verzet te plegen. Maar zwijgen wil ik niet. Laat ze niet denken dat wij – dom stemvolk – het wel goed vinden.
Comments are disabled for this post