De onuitroeibaarheid van domheid

De overeenkomst tussen achterlijk katholiek en achterlijk moslim

#

Is het Museum voor Religieuze Kunst in Uden een katholiek bolwerk? Velen denken dat, en anderen zouden het misschien ook graag zo zien. Sinds daar in 2004 de expositie ‘De hemelbestorming van katholieken en moslims’ te zien was, moet daaraan echter met reden worden getwijfeld. Moderne moskeeën in Nederland mag dan al een beladen onderwerp zijn, die ook nog eens vergelijken met neogotische kerken is als roken in een tankstation. Wie van vuurwerk houdt, had deze expositie niet mogen missen.

Er bestaat geen groter zegening dan een falend geheugen. Het bevrijdt van het saaie ‘lering trekken uit het verleden’ en biedt ons de gelegenheid steeds weer dezelfde domheden te herhalen zonder dat dit vervelend of saai wordt. Domheid is geen luiheid, domheid houdt ons juist actief en maakt het bovendien stukken eenvoudiger om ‘creatief’ te zijn. Herinneren is hinderlijk.

Mocht hiermee de moeilijke marktpositie van cultuurhistorisch georiënteerde musea nog niet voldoende zijn geïllustreerd, dan heeft het Museum voor Religieuze Kunst een methode gevonden om te laten zien dat er eigenlijk een verbod op herinneren zou moeten komen. Ik vermoed dat er – in Nederland en daarbuiten – politieke partijen bestaan die dit graag op regeringsniveau willen bepleiten. Historici aller landen…!

Wat is het geval? Artikel 170 van de grondwet van 1848 – wie herinnert zich dat nog? – was toen het werd afgekondigd revolutionair: ‘De tusschenkomst der Regeering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen.’ Dit artikel had de volle instemming van koning Willem II en was in hoge mate van toepassing op de Nederlandse katholieken. In kerkrechtelijke termen leefden die op dat moment nog in een missiegebied zonder eigen bisschoppen. Aangezien de Kerk toen ook nog een politieke macht was, met een staat die beduidend groter was dan de postzegel die daar nu van resteert, was dit artikel van grote betekenis. Het gaf Nederlandse katholieken gelegenheid hun banden met Rome en de Kerkelijke Staat aan te halen en zich volwaardig te mengen in het politieke en cultuurfilosofische debat van die tijd. In deze context werd in 1845 in ’s-Hertogenbosch het dagblad De Tijd opgericht, dat al een jaar later zijn redactiekantoren verhuisde naar Amsterdam om dicht bij het centrum van de macht te zitten. Onder druk van Rome werd het liberalisme afgezworen – ook dat klinkt nu als een sprookje – en denkers als de bekeerling J.G. le Sage ten Broek en J.A. Alberdink Thijm legden het fundament onder de emancipatie van de Nederlandse katholieken.

De doorbraak kwam met de pauselijke breve ‘Ex qua die’ van 4 maart 1853, waarmee Nederland weer bisschoppen en een aartsbisschop kreeg. Dit feit ging de geschiedenis in als het ‘herstel van de kerkelijke hiërarchie’ en het werd in 2003 feestelijk herdacht door katholiek Nederland. Het herstel verliep echter niet zonder problemen. Tact kan de paus in kwestie – Pius IX – niet worden verweten en zowel de tekst van zijn brief als de praktische invulling van het herstel, met Utrecht als zetel van het aartsbisdom, zetten veel kwaad bloed. Bovendien hielden koning (inmiddels Willem III) en regering (Thorbecke) zich op de vlakte, wat door tegenstanders werd geïnterpreteerd als collaboratie met de katholieken. Het kabinet Thorbecke viel op 19 mei 1853 en het zaad voor de verzuiling werd gezaaid. Wat openheid en verdraagzaamheid had moeten brengen, leidde tot een loopgravenoorlog die nog steeds voortduurt in Haagse ‘bloedgroepen’.

Inmiddels was nog voor het herstel van de hiërarchie een begin gemaakt met de inhaalslag die de Nederlandse katholieken aan voldoende goede kerkgebouwen moest helpen. De tijd van schuilkerken was immers al sinds de Franse tijd voorbij. Koning Lodewijk Napoleon begon met het stimuleren van de bouw van nieuwe kerken en Willem I zette dit beleid voort. Rijkswaterstaat werd hierbij ingezet, met in het hele land ‘waterstaatkerken’ met hun kenmerkende architectuur als gevolg. Bekend uit deze periode (rond 1840) is de Mozes en Aronkerk in Amsterdam. De grote bouwmeester die als zelfstandig architect zijn stempel op de kerkenbouw van deze periode drukte, is Pierre Cuypers uit Roermond geweest. Als geen ander gaf hij Nederland de neogotiek als bouwstijl, niet alleen voor kerken, maar ook voor tal van openbare gebouwen. Zijn eerste gemetselde gewelf voltooide hij in 1853 in Oeffelt.

Deze katholieke bouwwoede werd bepaald niet overal vreugdevol onthaald. Niet-katholieken verzetten zich vaak fel, waarbij niet alleen de zichtbare opmars van het katholicisme hen een doorn in het oog was, maar vaak ook de ‘middeleeuwse’ – en dus achterlijke – monsterlijkheid van de nieuwe kerkgebouwen die overal op prominente plaatsen in steden en dorpen verrezen. De gebouwen hadden een ‘volstrekt foute uitstraling’, vormden ‘een verwijzing naar het verleden’ en ‘een uitnodiging om niet te integreren’. Dat had toen gezegd kunnen zijn – en werd ook gezegd. Deze citaten zijn echter van Marco Pastors, geciteerd in het NRC Handelsblad van 17 december 2010 naar aanleiding van de opening van de Essalam moskee in Rotterdam-Zuid.

Ook in de negentiende eeuw vonden velen dat met de bouw van nieuwe rooms-katholieke kerken (en in kleinere aantallen ook met synagogen) alle vooruitgang van de afgelopen eeuwen werd teruggeschroefd. Nederland werd, zo meende men, teruggeslingerd tot diep in de donkere middeleeuwen. Of dat werkelijk zo was, mag iedereen voor zichzelf beoordelen, maar het werd toen door velen zo ervaren. De katholieken werden beschouwd als een in zichzelf gekeerd volksdeel dat zich maatschappelijk en politiek liet leiden vanuit het verre Rome en dat de Nederlandse samenleving openlijk de rug toekeerde. Dat dit werd gevoeld als een bedreiging, zal geen toelichting behoeven.

Klinkt dit alles bekend in de oren? Precies, maar het was helemaal niet het onderwerp van de tentoonstelling in Uden. Centraal in die expositie stonden niet de neogotische kerken waarmee de Nederlandse katholieken in de negentiende eeuw uit de kast kwamen en tegelijk de loopgraven betrokken, maar de moskeeën die sinds enkele decennia overal in Nederland verrijzen en die reacties oproepen die verdacht gelijkluidend zijn met de negentiende-eeuwse reacties op al die kerken.

Het is die kritische ontvangst die het Museum voor Religieuze Kunst centraal stelt, maar dan met de architectuur van die nieuwe moskeeën als centraal gegeven. Parallellen zijn er volop. Zowel in kerken als in moskeeën zonderen mensen zich af (althans in de optiek van de andersgelovigen, als toerist heb je daar zelden last van), zij voltrekken er onbegrijpelijke rituelen in een onbegrijpelijke taal (Latijn in de kerk, Arabisch en Turks in de moskee) en zij verbinden daar ook nog eens denkbeelden aan die wel degelijk de maatschappij als geheel aangaan, inclusief een herhaling – of voortzetting, zo u wilt – van de schoolstrijd. Bovendien wordt bij de bouw van de meeste nieuwe moskeeën in hoge mate teruggegrepen op modellen uit het verleden, wat – voor wie het zo wil zien – de achterlijkheid van de Islam nog maar eens onderstreept. Als er al een architectuurrecensent naar zo’n gebouw kijkt, wat op zichzelf al uitzonderlijk is, komt de ‘kritiek’ vaak niet veel verder dan een vergelijking met Disney of de Efteling. Dat getuigt meer van het hamburgercultuurgehalte van de recensent dan van enig serieus te nemen inzicht in de islamitische architectuur. Hoe diepgravend zulke analyses zijn, valt vrijwel dagelijks te constateren in de bus die van het centraal station in Tilburg naar de Efteling pendelt. Steeds is er wel iemand die bij het opdoemen van de minaretten en koepel van de nieuwe moskee aan de Wandelboslaan in Tilburg uitroept: ‘We zijn er al!’

Feit is dat in een groot deel van de islamitische wereld bij de bouw van nieuwe moskeeën wordt teruggegrepen op het glorierijke oeuvre van de Ottomaanse architect Sinan (1489-1587) die, saillant detail, de van oorsprong christelijke Haya Sophia als zijn grote voorbeeld beschouwde. Sinan is bovendien beslist een van de geniaalste architecten uit de wereldgeschiedenis. Als zijn meesterwerk wordt wel de moskee van Selim II in Edirne beschouwd, maar zijn moskee voor Süleyman II in Istanbul is bij de meeste mensen veel bekender.

Wie een gefundeerde mening wil geven over de architectuur van nieuwe moskeeën, zal kennis moeten nemen van de traditie waaruit deze gebouwen voortkomen en zal zich daarbij ook op de hoogte moeten stellen van de moderne architectuur in – onder andere – het Nabije Oosten. Dus niet naar Disneyland en de Efteling om vergelijkingsmateriaal op te doen, maar naar Istanbul of Damascus. In die laatste stad moeten dan niet alleen de grote Omayyadenmoskee en Sinans prachtige Tekkiye (een gastverblijf voor arme Mekkareizigers) worden bezocht, maar ook de uit 1985 daterende Saida Ruqqiyeh-moskee.

Deze laatste is opgetrokken boven het graf van Ruqqiyeh, een dochter van de Hussayn die zelf weer een kleinzoon is van de profeet en die als martelaar mede aan de basis ligt van het schisma tussen sji’ieten en soennieten. In het overwegend soennitische Syrië is deze nieuwe moskee dan ook een belangrijk sji’itisch heiligdom dat pelgrims trekt vanuit Iran en verder. Het is een prachtig gebouw dat ondanks het feit dat ook het begrip ‘kitsch’ zich aan de buitenstaander opdringt – maar dat doet elke barokke kerk evenzeer – de menselijke maat moeiteloos combineert met grootsheid en waarin op wonderbaarlijke wijze de onafgebroken bedrijvigheid van de pelgrims geen enkele afbreuk doet aan de spirituele rust.

Omdat Damascus nog steeds geen gangbaar reisdoel is, en steden als Isfahan, Najaf en Bagdag dat nog minder zijn, zijn foto’s, filmbeelden en maquettes onmisbare hulpmiddelen om met deze architectuur vertrouwd te raken. Het is precies dit wat de expositie in het Museum voor Religieuze Kunst probeerde te doen, al lag het accent hier wel vrijwel geheel op de islamitische architectuur in Nederland. Schitterende, op groot formaat afgedrukte foto’s van Hans Wilschut lieten zien hoe mooi die architectuur kan zijn, en hoe ‘de moskeeën zich voegen binnen het stedelijk landschap’. En voegen doen zij zich, net zoals de neogotische en waterstaatkerken dat hebben gedaan, en de stationsgebouwen en fabrieken en al die andere nieuwigheden van de negentiende eeuw die wij nu met zoveel zorg en vertedering als ‘cultureel erfgoed’ omarmen en verdedigen tegen sloopgrage ‘barbaren’. Gehaat hebben we het, die uitingen van katholieke achterlijkheid, verfoeid en met walging bekeken, maar wee degene die er nu durft aan te komen.

Gelukkig weten we het allemaal niet meer, zodat we die spannende negentiende eeuw gewoon nog een keer kunnen overdoen. Tegen de katholieke kerk schoppen, heeft weinig zin meer. Die is in Nederland op sterven na dood en de handvol ‘nieuwe katholieken’ die er elk jaar nog bijkomen, vormen voor niemand een bedreiging, zelfs niet als zij zo buitenissig zijn als Reve, Antoine Bodar, Robert Lem of Martin Ros. Nu zijn het de moslims die ons angst inboezemen.

Tussen 1860 en 1870 brachten de Nederlandse katholieken een leger van drieduizend zoeaven op de been die in Italië streden voor de Pauselijke staat van Pius IX. Dat was een uitzonderlijk groot aantal mensen voor een zaak die in het spraakgebruik van de vroege eenentwintigste eeuw niet anders dan ‘jihad’ zou kunnen heten. Wie er toen zijn leven niet voor veil stelde, doneerde de Oudenbosche pastoor Hellemons een bijdrage voor diens project om de Roomse Sint-Pieter en Sint-Jan van Latheranen met elkaar te kruisen tot een godshuis dat nog steeds tot de meest excentrieke van Nederland behoort. Het functioneert, anders dan de Mozes en Aaron in Amsterdam nog steeds als rooms-katholieke kerk.

Valt uit dit alles een les te trekken? Misschien wel, maar wie zou dat willen? Over honderd jaar komen de moskeeën van nu op de Rijksmonumentenlijst, over honderdvijftig jaar maken we ons ernstig zorgen over het behoud en de mogelijke herbestemming ervan. Aan enkele ervan is dan een museum verbonden, gewijd aan de dappere mannen die hun leven gaven voor wat zij zagen als een goede zaak, in landen als Bosnië, Afghanistan, Irak en elders. Onze achterkleinkinderen kijken daar dan wat meewarig en vol onbegrip naar: ‘Waar ging dat toch allemaal over?’ Het museum in Uden stelde die vraag al in 2004, het is zijn tijd ver vooruit. De boodschap is simpel: Kijk, hier zien we iets gebeuren dat wij honderdvijftig jaar geleden ook hebben meegemaakt. Toen werden er fouten gemaakt. Die kunnen we nu overdoen. Of niet.

#

Dit is de bewerkte versie van een artikel dat in september 2004 verscheen in Brabant Cultureel.

No Comments

Leave a Reply

Your email is never shared.Required fields are marked *