Philips, DAF en Smurfen

Jongens waren ze – maar aardige jongens

Anton Philips temidden van rare vogels, wajangpoppen en Smurfen

#

Wie Eindhoven zegt, zegt Philips. De twee zijn zo nauw met elkaar verweven dat de geschiedenis van de een nauwelijks verteld kan worden zonder die van de ander. Er zijn zelfs Eindhovense beleidsmakers die menen dat er vóór de opkomst van Philips eigenlijk helemaal geen sprake was van een plaats van enig belang, waarbij zij over het hoofd zien dat Eindhoven een middeleeuwse stad is met een rijk verleden. Anderzijds blijft van Philips nog al te vaak onderbelicht dat de onderneming ooit begon met een handelaar in tabak en koffie in Zaltbommel, een man met een joodse grootvader en vader die beide pas kort voor zijn geboorte waren overgegaan tot de Nederlands Hervormde Kerk. Karl Marx, die van Das Kapital, zei oom tegen deze Bommelse opa en logeerde met enige regelmaat bij de familie in Zaltbommel, vooral wanneer hij in geldnood zat. Anton Philips zou dit gegeven later nog uitbuiten om Lenin gunstig te stemmen en zo de Russische markt te veroveren voor zijn gloeilampen.

Er zijn dus naast de gemeenschappelijke geschiedenis die Philips en Eindhoven met elkaar delen ook twee afzonderlijke verhalen, het ene over de stad en haar geschiedenis en een ander over Philips, de familie en het bedrijf. Hier gaat het over de familie, de petit histoire van Philips. Benjamin Frederik David Philips (1830-1900, hij noemde zichzelf Frederik) was niet alleen handelaar in tabak en koffie, hij was ook fabrikant en bankier en vooral een vooruitziend en ondernemend man. Marcel Metze, de recentste biograaf van zijn zoon Anton Philips, merkt op dat het lijkt alsof Frederik ‘elke zeven jaar toe was aan iets nieuws, of daar in elk geval tegenaan liep’. In 1871 zag hij als ondernemer letterlijk het licht. In dat jaar kocht hij de noodlijdende lichtgasfabriek in Zaltbommel en vormde die om tot een renderend bedrijf. Dat ging goed totdat de gemeente Zaltbommel in 1877 zelf een gasfabriek begon en daarmee Philips uit de markt drukte. Twee jaar later, in oktober 1879, maakte Edison zijn uitvinding van de elektrische gloeilamp bekend. Frederik Philips begreep meteen dat gasverlichting een snel aflopende zaak was en trok zich uit deze branche terug. Hij verloor daarbij veel geld en leek zich ook uit het zakenleven terug te trekken, wat hij zich als inmiddels vermogend man kon veroorloven.

In 1891 richtte hij echter samen met, en in zekere zin ook ten behoeve van zijn oudste zoon Gerard (1858-1942) een vennootschap op ‘voor het fabriceren van gloeilampen en andere elektrotechnische artikelen, benevens het drijven van handel daarin’. Deze N.V. Philips’ Gloeilampenfabriek ging van start in een leegstaand fabrieksgebouwtje in Eindhoven, en zo is het begonnen. Gerard was een ingenieur, had gestudeerd in Delft en zich in de elektrotechniek bekwaamd op een scheepswerf in Vlissingen en later ook in Glasgow en Berlijn. De lampenfabriek van vader en zoon draaide aanvankelijk zo slecht dat zij al in 1894 besloten de zaak van de hand te doen. Toen echter een groepje belangstellenden begon af te dingen op de vraagprijs van 25.000 gulden, besloten de zij toch maar met de zaak door te gaan en ook broer Anton (1874-1951) in het familiebedrijf op te nemen. Anton begon in eerste instantie voor een half jaar, om zijn vader ‘een genoegen te doen’, maar het zou zijn levenswerk worden.

Anton was een dwarse puber geweest, hij wilde, zoals men toen placht te zeggen, niet deugen. Op zijn zeventiende verliet hij de Bommelse HBS, na minstens één keer te hebben gedoubleerd en zonder eindexamen. Om hem nog een beetje te disciplineren en een vak bij te brengen, stuurde zijn vader hem in 1891 naar de Openbare Handelsschool in Amsterdam, een soort HEAO met MBA-managementopleiding. Het was een chique school, maar Anton genoot meer van zijn kennismaking met het Amsterdamse stadsleven dan van de opleidingskansen die hij kreeg. Zijn eerste kwartaal sloot hij af met onvoldoendes voor zeven van de dertien vakken en met als hoogste cijfer een acht voor gymnastiek. Daarna klom hij op tot de middenmoot, maar hij beëindigde het jaar slechter dan hij was begonnen. Biograaf Metze ziet in deze wilde jaren echter ook een belangrijk lichtpunt. Anton maakte onder zijn Amsterdamse medescholieren vrienden voor het leven en dat waren veelal net als hijzelf telgen uit ondernemende geslachten die een vooraanstaande positie in de maatschappij zouden gaan bekleden. Deze contacten zouden hem later nog op tal van vlakken van nut zijn.

Op de Handelsschool deed Anton ook een boezemvriend op met wie hij zijn leven lang intiem bevriend zou blijven. Dat was jonkheer Johannes (Jan) Feith (1874-1944) die in de voorgaande jaren zo mogelijk nog minder had willen deugen dan Anton Philips. Wat hij in die tijd al wel had ontdekt, was dat hij talenten had, zowel als sportman als ook op artistiek vlak. Feith stamde uit een adellijk geslacht, was de zoon van een vice-president van de Hoge Raad en had daarmee de achtergrond die Philips als nouveau riche miste, maar hun wederzijdse vriendschap moet toch geheel zijn geworteld in de sfeer waarin zij elkaar leerden kennen, als ondeugende vlegels die tot wanhoop van pa en familie maar niet in het burgerlijk gareel wilden lopen.

In de biografie van Marcel Metze duikt Feith het meest prominent op wanneer Anton Philips op 8 juni 1928 een eredoctoraat wordt verleend door de Handelshogeschool van Rotterdam, ‘een diploma waar hij als gesjeesde hbs’er alleen maar van had kunnen dromen’. Tijdens het diner na afloop trad Jan Feith op als ‘tafelpresident’, dus ceremoniemeester. Hij was journalist, schrijver van jongensboeken, cartoonist en striptekenaar (onder het pseudoniem Chris Kras) en was daarmee in feite altijd het buitenbeentje gebleven dat hij als jongeman al was. Niet dat hij geen carrière maakte, want Feith werd redacteur bij het Algemeen Handelsblad, De Indische Post en later ook bij De Kampioen. Zijn meer satirische werk verscheen onder meerdere pseudoniemen. Voor het weekblad De Indische Post had Feith enige jaren in Nederlands-Indië gewerkt, maar in 1926 was hij naar Nederland teruggekeerd en had hij de leiding gekregen over de Haagse redactie. Toen het blad financieel in de problemen raakte, vroeg hij Anton Philips om hulp. Anton nam niet, zoals Feith had gevraagd, het aandelenpakket van de Indische hoofdredacteur over, maar steunde het blad met advertentiecampagnes en zette er diverse van zijn kennissen toe aan om hetzelfde te doen. ‘Als tegenprestatie bedong hij (…) voor Feith een contract van zes jaar (bij De Indische Post), zodat die zijn baan als hoofdredacteur kon behouden’ (Metze, p. 231).

Anton Philips hielp zijn vriend Jan Feith vaker aan ‘baantjes’. Al in 1916, bij het vijfde jubileum van de zaak, schreven en tekenden Jan Feith en T. Nieuwenhuis een gedenkboek: NV Philips gloeilampenfabriek 1891-1916 (Eindhoven 1916; herdruk met een Engelse vertaling in 1979). Bij gelegenheid van Antons zestigste verjaardag stelde Jan Feith een vriendenboek samen, maar dat zal allicht geen betaalde opdracht zijn geweest. Metze concludeert daaruit dat Feith regelmatig sketches, verzen en liedjes schreef die ten huize van Anton Philips werden uitgevoerd, met de echtgenotes aan de piano en van de heren ‘eine wunderbare Stimme, eignet sich aber nicht für Gesang!’ (Metze, p. 230).

Jan Feith deed nog iets voor Anton Philips, een creatieve daad die vrijwel geheel vergeten lijkt te zijn geraakt. Na de afronding van zijn studie in Delft trouwde op 1 juni 1929 Antons enige zoon Frits Philips (1905-2005) met de iets jongere Sylvia van Lennep. Frits en Sylvia hadden elkaar in 1924 in Den Haag voor het eerst ontmoet en waren a snel verliefd op elkaar geworden, maar getrouwd mocht er pas worden nadat Frits was afgestudeerd. Sylvia stamde net als Jan Feith uit een adellijke familie en was ondermeer verwant aan de bekende negentiende-eeuwse literator Jacob van Lennep. Voor dit huwelijk, bijna exact een jaar nadat Anton in Rotterdam doctoreerde, schreef Jan Feith een openluchtspel dat op zondagmiddag 30 juni 1929 in Eindhoven werd opgevoerd. Dat gebeurde in het ‘Philips-park’, dus in besloten kring (al in 1920 was een deel van dit landgoed als Philips-de Jongh Wandelpark aan de gemeente Eindhoven aangeboden).

Van het stuk bestaat een gedrukte uitgave met foto’s van de gekostumeerde acteurs en met getekende illustraties die zonder twijfel ook van de hand van Feith zijn. Het boekje is redelijk zeldzaam en in de geschiedenis van literatuur en theater in het Eindhovense geheel onbekend. De titel luidt: Periculum in Pinetum. Ornitologisch-dramatische schets in rijm en onrijm ter eere van het bruidspaar Jkvr. Sylvia van Lennep en Frits Philips. Alle personages zijn vogels van zeer diverse pluimage die samen een rechtszaak voeren met als inzet de vraag of het jonge Philipspaar zich in Eindhoven mag vestigen. In werkelijkheid ging het pasgetrouwde paar in Bloemendaal wonen, mede omdat Frits onder de vleugels van zijn ouders vandaan wilde blijven. De verhuizing naar Eindhoven kwam pas een jaar later.

Het spel bevat nogal wat dubbele bodems. Zo klagen de vogels in het begin dat er onder hen zoveel onrust bestaat en dat ‘heel ’t Philips-park (…) z’n nest’ verlaat ‘voor een algemeen protest’. In het stuk mogen we dat serieus nemen, daarbuiten betekent het gewoon dat de kinderen van Anton Philips uitvlogen en trouwden. Aan de orde is ‘de zaak “Philips”’, maar ‘Dr. Anton Philips’ gaat vrijuit en de ‘ouders Philips’ worden vervangen door de beklaagden Frits en Syl, bruidegom en bruid. Als eerste treden drie getuigen à charge op die erover uitweiden dat de ‘Eindhovense vogels’ sinds de komst van Philips niet langer vrij zijn. Zo zegt Koekoek onder meer ‘Hoe meer Philipsen hier komen huizen / Des te vaker moet ik naar een ander nest verhuizen’ en verzoekt hij om ‘herstel van het “vrije huwelijk” voor elken Koekoek’. Wilde Eend klaagt dat geen vogel meer veilig is en in een lang pleidooi zet Kemphaan (met breed pathos) uiteen wat Philips aanricht in de wereld:

Al sedert eenigen tijd

Is de lucht ontwijd;

Wij moeten ons beperken

Bij ’t spreiden onzer vlerken.

Wij worden ruw beteugeld,

Ja, zelfs bijna ònt-vleugeld.

Op haast elk der menschen-daken

Staan antennes en ook staken;

Schier overal spannen draden,

Niet te tellen hun myriaden.

Heel de hemel is bedolven

Van onzicht’bre aardsche golven,

Die, ’t zij korte of wel lange,

Ons vogelheir trachten te vangen.

We verliezen onze veeren

Door dit radiografeeren;

In een zinlooze manie

Doet elk aan radiografie,

Aldoor loeit van noord tot zuid

Het menschelijke omroep-geluid;

Van d’n oost tot ’t verre westen

Verstoord wordt elk onzer nesten.

(…)

De onmetelijke lucht

Is niet meer vrij voor onze vlucht…

’t Lijken soms wel gekken

Met hun Philips’ loudspeak-bekken!

Foei! ze noemen zich ‘luister’-vinken;

Maar alom hoor je hun ‘blaffen’ klinken!

Wat is een vogel zonder vrijheid?

Wat is een vogel zonder blijheid?

Uit elk mensch’lijk studio

Dreigt vogel-moord per radio!

Elke vogel wordt door den dood belaagd,

Als hij zich nog uit zijn nest waagt,

Met radio-executie, omlaag of boven…

Deze langste monoloog uit het hele spel is, net als de rest, geen hoogstaande poëzie, maar vormt wel een sterk staaltje (zelf)spot en gewaagde antireclame op een moment dat het amper twee jaar geleden is dat Philips op de Jaarbeurs zijn eerste radiotoestel had gepresenteerd. Natuurlijk zijn er in de rechtszaak ook drie getuigen à décharge, Waterhoen, Roodborstje en Houtduif. Op vriendelijke toon leggen zij ontlastende verklaringen af waarin het accent veel meer ligt op de personen Frits Philips en Sylvia van Lennep en waarin vooral de eerste wordt afgeschilderd als een ware vogelvriend. Aan het eind is natuurlijk alles peis en vree en trekt ‘den vroolijken stoet’ dansend ‘op de klanken van de luchtige wijze’ van enkele muzikanten naar de feestdis. De acteurs in dit jolige spel waren allemaal (aangetrouwde) familieleden en goede vrienden van vader Anton en zoon Frits Philips. Jan Feith was regisseur en speelde zelf ook mee.

Wat het boekje verder nog vermeldt, is dat de muzikale leiding in handen was van David Monnickendam (1896-1973). Ook achter die naam blijkt een kleurrijke Eindhovenaar schuil te gaan. Veel is over hem niet te vinden. Hij begeleidde stomme films op de piano, in augustus 1919 wordt hij vermeldt in verband met een ‘Theatre Bureau’ aan de Tramstraat en in 1921 werd hij aangesteld als pianoleraar aan de muziekschool. In datzelfde jaar trouwde hij met Rosalie (Roos) Wijnbergen (1901-1982), evenals Monnickendam zelf een telg uit een bekende joodse familie. Daarna noemen krantenberichten hem nog enkele malen als componist (van een Tango Milonga) en auteur van gedichten en cabaretliedjes. Wat later werkte hij bij de bioscoop Cinema Parisien die sinds april 1917 was gevestigd aan de Vrijstraat 22. Monnickendam was er bedrijfsleider van 1929 (het jaar van het Philipshuwelijk) tot 1940, en daarna opnieuw van 1969 tot 1971. Van 1945 tot 1972 leidde hij (ook) de bioscoop Chicago. Eind augustus 1929 wordt hij nog een keer genoemd als leider van het ‘Chicago Orkest’ bij een openluchtspel en van een orkestje dat speelt bij modeshows. Of hij ook familie is van de schilder Martin Monnickendam heb ik niet kunnen achterhalen.

Net als Jan Feith was Monnickendam een multitalent, zij het van bescheidener niveau. Op een website over het Evoluon herinnert iemand zich het refrein van een lied dat D. Monnickendam schreef bij gelegenheid van de opening van dit futuristische expositiegebouw in 1966. Het heeft een hoog tussen-de-schuifdeuren gehalte:

Wie van ons heeft kunnen dromen dat het kon.

Er een paddestoel zou komen van beton.

Waar het Philipsbrein vernuft zal etaleren.

Electronica constant zal demonstreren.

Wie van ons heeft kunnen dromen dat het kon,

Evoluon.

Geslaagder is de ‘slow foxtrot’ met pianobegeleiding die Monnickendam schreef als reclame-uiting voor het sigarettenmerk Wajang en die rond 1946 werd uitgegeven, de Wajang Foxtrot:

Oosterse Godin, sprookjeskoningin, ik ben betoverd.

Jij hebt op een dag, dat ik jou eens zag, mijn hart veroverd.

’t Is jou gelukt, ik ben verrukt.

Wajang, pop van zij, ideaal van mij, dat ben jij.

Mijn kleine Wajang, ik hou van jou,

ik wist wel dat jij eens komen zou,

je broos figuurtje is elegant

en je ogen, geuren, zijn zo pikant.

Jouw fijne smaak heeft mij getroffen,

ik wil geen ander meer dan jou,

ik sier mijn koker met jouw portret,

mijn kleine Wajang, mijn sigaret.

Bekender werd Monnickendams zoon (Albert) Freddy (1924-?) die in de bioscoop van zijn vader de tekenfilms van Disney leerde kennen, zich bekwaamde in het vak van striptekenaar en maker van tekenfilms en in Brussel ging werken bij SEPP (Société d’Edition, de Presse et de Publicité), een onderdeel van de bekende strip-uitgeverij Dupuis. Daar was hij betrokken bij de conceptie van de Smurfen en hij bracht het er tot directeur van deze dochtermaatschappij. Als zodanig regelde hij in 1977 de rechten voor het Smurfenlied van Vader Abraham. In 1981 trok Freddy Monnickendam naar Hollywood waar hij als executive producer televisieseries maakte met de Smurfen (1981), de Snorkels (the Snorks, 1984) en in 1987 de figuren voor de tekenfilmserie Foofur vormgaf. Het rijtje van wat Eindhoven aan de wereld heeft geschonken, kan dus worden uitgebreid: Philips, DAF en Smurfen.

Voor de biografie van Anton Philips is dit alles natuurlijk uiterst marginaal. Opvallend is echter wel dat dit zich allemaal afspeelde binnen zijn kennissenkring en dat hij het – al was het maar uit vriendschap – belangrijk genoeg vond om er zijn steun aan te geven. De hoofdlijnen, en ook heel veel zijlijnen, van zijn biografie staan in het zeer lezenswaardige boek van Marcel Metze, Ze zullen weten wie ze voor zich hebben. Anton Philips 1874-1951. Amsterdam: Balans 2004. De uitgaven van het openluchtspel door Jan Feith en de Wajang Foxtrot van D. Monnickendam zijn uitsluitend nog met het nodige geluk antiquarisch te vinden.

#

Eerder verschenen in Brabant Literair (december 2004) 39-43.

No Comments

Leave a Reply

Your email is never shared.Required fields are marked *