Verlies

Een zaak van zorg

Bidden voor de heilige Antonius van Padua is in onze wegwerpmaatschappij vrijwel geheel in onbruik geraakt. Wie wat kwijtraakt haalt zijn schouders op en gaat over tot aanschaf van een vervangend exemplaar. Gezien het heersende gebrek aan eerlijke vinders wordt zelfs het doen van aangifte van verlies of diefstal veelal als een daad van overbodige burgermanszin beschouwd. Daarbij komt nog dat het overgrote deel van de dingen die we kwijtraken tegenwoordig uit massaproducten bestaat, en daardoor ook moeiteloos vervangbaar is. Kwijtraken is daarmee al lang geen zorg meer die het individu aangaat. Kwijtraken is een collectief probleem geworden, een afvalprobleem, waar we ons collectief uitermate bezorgd om kunnen maken, maar dat ons als individu nauwelijks nog raakt. – Behalve natuurlijk degeen die de pech heeft net naast een stortplaats te wonen, of als fietser juist de volle asbak uit een voorbijrazende auto over zich uitgestort te krijgen, maar dat is dan ook gewoon pech.

Bij kwijtraken lijkt het probleem zich dus in recente tijd te hebben verlegd. Niet het niet meer kunnen terugvinden baart zorgen, maar juist hoe ergens van af te komen. Kwijtraken is tot een luxeprobleem verworden – een evolutie van gemis tot milieuprobleem. Voor wie er toch nog in slaagt een dierbare bezitting onbedoeld kwijt te raken, biedt ook vandaag de dag oudchristelijke wijsheid nog steeds de oplossing: zoekt en gij zult vinden. En als dat niet helpt, waarom dan niet toch de heilige Antonius nog maar eens geprobeerd? Baat het niet dan schaadt het niet.

Daarmee is kwijtraken ook iets totaal anders geworden dan verliezen. De huidige betekenis van verliezen kan misschien wel worden omschreven als het onbedoeld kwijtraken van een dierbaar en onvervangbaar ‘iets’. Dat ‘iets’ is dan veelal een persoon, of ook wel een (huis)dier – het verschil tussen beide lijkt voor de meeste verliezers te verwaarlozen. Dit verliezen laat zich in een wereld vol massaproductie en wegwerpcultuur slecht inpassen, en is sinds enige tijd zo problematisch geworden dat er een kunde van gemaakt is: verlieskunde. Verliezen is in de hedendaagse wereld zo volledig onaanvaardbaar geworden dat we er deskundigen in opleiden, op wie verliezers dan weer een beroep kunnen doen om te leren hun persoonlijke verlies te verwerken – kwijt te raken.

#

Ik meen dat hiermee een kunst – een elementaire levenskunst nog wel – tot een kunde gemaakt is, en daarmee tot een kunstje dat je kunt aanleren en op bevel kunt opvoeren. Nog niet zo gek lang geleden waren kwijtraken en verliezen – het een ongedaan te maken, het ander niet – veel minder strikt van elkaar gescheiden. De meeste mensen bezaten minder dan tegenwoordig het geval is, en van wat zij bezaten was relatief meer ambachtelijk gemaakt en daarmee eenmalig. Vervangen was daardoor voor hen over het algemeen kostbaarder dan het voor ons is, en impliceerde vrijwel steeds ook veranderen. Dat zal kwijtraken ingrijpender hebben gemaakt dan wij ons nu kunnen voorstellen. Dierbare voorwerpen kwijtraken en niet meer terugvinden, was meer dan nu ook verliezen. Geen wonder dus, dat Antonius in die wereld nog trouwe klanten bezat. Daar staat tegenover dat het in die nog niet zo lang voorbije tijd veel normaler was om dierbare mensen te verliezen. Niet dat het daarmee aanvaardbaarder was, nee, men werd er domweg regelmatiger mee geconfronteerd.

Om te beginnen was de sterfte zeker tot ver in de negentiende eeuw veel hoger dan tegenwoordig. Het is een algemene misvatting dat dit betekent dat mensen niet oud werden. Zelfs in het oude Egypte werden er mensen honderd; Pepi II (Neferkare) regeerde van 2246 tot 2152 voor Christus, dat is dus vierennegentig jaar lang, en Ramses II zat zesenzestig jaar op de troon (1290-1224). Wat het wel betekent, is dat een aanzienlijk deel van de borelingen de peutertijd niet overleefde, en dat iemand van tegen de dertig al behoorlijk ‘oud’ begon te worden en leeftijdgenoten om zich heen aan ziektes en andere ongemakken zag bezwijken. Daar komt dan nog bij dat ook de opdeling van de maatschappij in fysiek van elkaar gescheiden generatiegroepen een recent verschijnsel is. De dood van naasten en verwanten vormde daarmee een vast onderdeel van het dagelijks leven van ieder mens. Waar deze misvatting, dat mensen niet oud werden, nog stoelt op een laakbare onbekendheid met de definitie van termen als sterfte en levensverwachting, bestaat er nog een andere hardnekkige, en veel ernstiger, misvatting betreffende verliezen.

Toen de political correctness het net weer toestond, bezocht een kennis van mij Zuid-Afrika. Dat zij zich daar ook liet rondleiden door een blikkiesdorp is op zichzelf al een vorm van vrijetijdsbesteding die op mij een nogal bedenkelijke indruk achterliet. Maar dat zij daarna de aanschouwde toestand ook nog vergoelijkte, deed me toch even aan haar verstandelijke en emotionele vermogens twijfelen. Het is een feit dat de sterfte onder het gekleurde bevolkingsdeel van Zuid-Afrika groter is dan onder het blanke. De levensverwachting is er lager, de gezondheidstoestand slechter, en het aantal geweldslachtoffers hoger. Maar wordt dat gerechtvaardigd met de – overigens valse, dat dient blijkbaar toch nog gezegd – voorstelling dat ‘door die mensen de dood lichter wordt opgevat dan door ons’ (blanke, verwende, weldoorvoede, door gediplomeerde verlieskundigen omringde westerlingen)?

Wie zijn hersens in ijsblokjes bewaart, en zijn hart met prikkeldraad heeft omwonden, zal voor tegenargumenten wel niet gevoelig zijn, maar lees de ‘factie’-roman eens waarmee Elsa Joubert in 1978 blank Zuid-Afrika liet wakkerschrikken. Van Die swerfjare van Poppie Nongena verscheen in 1985 een totaal onopgemerkt gebleven Nederlandse vertaling onder de ietwat tendentieuze titel De zwarte dagen van Poppie Nongena. Het aangrijpende levensverhaal van een vrouw in Zuid-Afrika (Katwijk: Servire). Nee, ook als de dood een dagelijks verschijnsel is, en ook wanneer je cultuur je voorschrijft niet met je verdriet te koop te lopen, dan nog gaat elk verlies van een dierbare gepaard met diep menselijk lijden.

Natuurlijk, andermans cultuur kan iemand op het verkeerde been zetten. Maar zoals op mijn netvlies gebrand, zo moet toch minstens ook de pijn gebrand staan in het geheugen van de vrouw die als negenjarige en met brandende napalm overdekt in Trang Bang (in Vietnam, voor de jongeren onder ons) een cameraman tegemoet rende? Toch zag ik haar jaren later in een interview glimlachend vertellen over dat ‘incident’. ‘Geen problemen,’ zegt een Perzische schone met een even brede glimlach, terwijl ze haar wereld om zich heen ziet instorten. En hoe vaak wordt liefdesverdriet niet verdoezeld met een achteloos ‘ach, er zijn nog genoeg andere’?

Maar dat is allemaal slechts buitenkant. Het zijn de middelen, aangereikt door onze opvoeding en onze omgeving, die het mogelijk maken het leed draaglijk te maken, en bespreekbaar. En die middelen verschillen van land tot land, van tijd tot tijd, en verhullen daarmee voor de oppervlakkige waarnemer het werkelijke leed van het individu dat zich geconfronteerd ziet met zijn eigen onvermogen en met het verlies van iemand die zin gaf aan zijn of haar bestaan. Verdriet is een vorm van angst, angst voor een nieuwe en onbekende situatie.

Wanneer de dood een normaal verschijnsel is, is het vanzelfsprekend dat ook de troost alledaags kan zijn. Zoals een afgewezen liefde wordt weggelachen met een verwijzing naar de numerieke omvang van de mensheid, zo vinden we op een aantal plaatsen in de wereldliteratuur de opmerking dat er na het verlies van een kind wel weer nieuwe kinderen gekregen kunnen worden (voor een bloemlezing zie Robert S.P. Beekes, ‘“You can get new children…” Turkish and other parallels to ancient Greek ideas in Herodotus, Thucydides, Sophocles and Euripides’, Mnemosyne 39 (1986) 225-239). De troost zal even schraal zijn geweest. Opmerkelijk is ook, dat het juist de vervangbaarheid is die hier geacht wordt het verlies te verzachten. Een verwijzing naar Vondel kan hier waarschijnlijk wel volstaan om te laten zien dat ook in het verleden het verlies van een ‘dochterken’ niet lichter werd opgevat dan door ons nu. Dat dit ook in een verder verleden al zo was, blijkt bijvoorbeeld uit de vele gedenkstenen die in de Romeinse tijd werden opgericht voor overleden kinderen. En een zesde-eeuwse christelijke grafsteen uit Keulen, voor een zestienjarige dochter, meldt onder andere: CARA PARENTEBVS ET NIMIVM RELICTA AMORE, ‘Zij was haar ouders dierbaar en liet al te veel liefde achter’.

In de christelijke middeleeuwen vond het verlies een belangrijk beeld in de treurende Maria onder het kruis. De mateloze populariteit van het Stabat Mater getuigt daarvan, en het is opmerkelijk dat ook in deze situatie de troost – uitgesproken door de stervende zelf – bestaat uit vervanging: ‘Vrouw, ziedaar uw zoon’ (Joh. 19:26).

Maar het waren – en zijn – niet alleen ouders die kinderen verloren (en verliezen). Ook echtelieden en gelieven zagen elkaar voortijdig wegvallen. In een omgeving waarin alleen al de strikte rolverdeling tussen mannen en vrouwen een celibatair leven praktisch onmogelijk maakte, was snel hertrouwen meestal een bittere noodzaak. Voor ons, buitenstaanders, verhult dat maar al te eenvoudig het geleden verlies. Pieter Paul Rubens verloor zijn eerste echtgenote Isabella Brant op 20 juni 1626 aan de pest. Pas vier jaar later, en dat is toch bepaald niet meteen, trad hij opnieuw in het huwelijk. Rubens was toen drieënvijftig, Heleen Fourment, zijn nieuwe bruid, zestien. Ook zij werd daarmee gedoemd tot de kans ooit (en waarschijnlijk vrij jong) een beminde partner te moeten verliezen.

De brief van 15 juli 1626, die Rubens schreef aan Pierre Dupuy om hem te danken voor zijn betoonde medeleven, is bij mijn weten wel de mooiste uitdrukking van de onoverkomelijke kloof tussen cultuurgebonden troost en persoonlijk leed:

V.S. fa bene di rimettermi alla necessità del fato che non si piega alle nostre passioni, y come un effetto della suprema potenza non è obligato di render conto né ragione à noi delle sue attioni. Tocca a lui il dominio assoluto d’ogni cosa, et a noi il servire et ubidire; né resta altro, al parer mio, che di rendere questa servitù più honesta y manco servibile col assenso volontario; ma non mi pare negocio tanta leggiero ne pratticabile al instanto et perciò V.S. prudentissamente sui recommanda il tiempo, il quali, spero, fará in me quello que deverebbe far la ragione; perchè io non ho pretensioni d’arrivar giamai alla impassibilità stoica ne penso d’esser impropria all’huomo alcuna qualità humana congrua al suo oggetto, né tutte le cose di questo mondo esser ugualmente indifferenti, sed aliqua esse quae potius sunt extra vitia quam cum virtutibus, et che si vindicamo mentalmente qualcunque sentimento nel animo nostro citra reprehensionem. Io veramento ho perso una buonissima compagna, che si poteva ansi doveva amar con raggione, non havendo alcum vicio proprio del suo sesso; senza morosità y senza impotenza donnesca, ma tutta buona, tutta honesta y per sue virtù amata in vita y dopo morte pianta universalmente da tutti. Et un tal danno mi par degno di gran sentimento, et perché la vera medicina di tutti mala è l’oblivione figlia del Tempo, bisogna senza dubbio sperarne soccorso: ma trove ben difficile la distintione del dolore per la perdita, dalla memoria d’una persona che devo riverire et onorare mentre averò vita.

(Max Rooses & Charles Ruelens, Correspondance de Rubens III, 444-5; hier geciteerd naar: Frans Baudouin, Pietro Paulo Rubens (Engelse ed., New York, 1989) 384-5.)

‘U.Ed. doet goed mij te herinneren aan de noodzaak van het lot, dat zich niet schikt naar onze verlangens en dat, als een uitdrukking van de hoogste macht, niet gehouden is ons verantwoording af te leggen van zijn daden. Het bezit absolute heerschappij over alle dingen – wij kunnen het slechts dienen en gehoorzamen. Ons rest niets, zo schijnt het mij, dan deze dienstbaarheid eervoller te maken, en minder pijnlijk, door ons vrijwillig te onderwerpen. Maar op dit moment lijkt mij dat niet gemakkelijk, of zelfs mogelijk. Met veel omzichtigheid beval U.Ed. mij de tijd aan, die, naar ik hoop, voor mij zal doen wat de rede niet vermag. Want ik heb niet de pretentie ooit de stoïcijnse onverstoorbaarheid te bereiken. Noch geloof ik dat enige menselijke eigenschap, die zozeer aansluit bij zijn doel, ongepast is voor een man, of dat men tegenover alle zaken in deze wereld onverschillig kan zijn. ‘Er zijn zaken die eerder buiten de zonden vallen, dan binnen de deugden’ (Tacitus, Historiae I.49), en zij brengen in onze ziel een sentiment teweeg, dat zich niet laat beteugelen. Ik heb werkelijk een uitstekende levensgezellin verloren, die men met reden kon, nee, moest liefhebben, en die niet één van de gebreken bezat die haar geslacht eigen zijn. Zonder nalatigheid en zonder vrouwelijke zwakheid, maar volledig goed, volledig eerlijk, en om haar deugdzaamheid geliefd tijdens haar leven, en na haar dood alom beweend door allen. Een zo groot verlies lijkt mij een diep gevoel waardig. En daar de ware medicijn voor alle kwalen de vergetelheid, dochter van de Tijd, is, moet ik mij zonder twijfel tot haar wenden om hulp. Maar ik vind het erg moeilijk het verdriet om dit verlies te scheiden van de herinnering aan een persoon die ik moet hoogachten en eren zolang ik zal leven.

Waar er in veel culturen in stilte wordt gerouwd, is het elders (of in een andere tijd) juist gebruik om het leed luidkeels wereldkundig te maken. In onze westerse maatschappij is de stilte vrijwel absoluut geworden, en dat dus niet alleen in West-Vlaanderen, waar – aldus Luuk Gruwez – voor triestheid […] het kabinet ten dienste staat,

waar men, wijl men zijn veesten loost,

kordaat en krachtig snikt en slikt,

soelaas vergaart voor de salon.

(Voor de niet-ingewijden, ‘het kabinet’ is in Vlaanderen waar nette mensen hun handen gaan wassen.)

Het zou niet moeilijk zijn om aan de hand van een literaire bloemlezing alle vormen van verlies die een mens kan lijden, en alle mogelijke reacties daarop, te illustreren. Maar hoe lang – en breed – die bloemlezing ook zou zijn, willekeur zou toch het leidende principe blijven en het thema zou dus ook niet beter zijn dan enig ander. Wat dat betreft heb ik slechts vertrouwen in bloemlezingen met kwaliteit als enige leidraad.

Daar komt dan nog bij, dat de lezer zich steeds weer zou afvragen in hoeverre hij naar een literair kunststukje kijkt, en in hoeverre het uitgesproken verdriet dus nog wel als oprecht beschouwd kan worden. Juist daarom ook is de brief van Rubens zo boeiend, omdat die niet de bedoeling heeft literair te zijn, net zo min als vroegmiddeleeuwse grafschriften die pretentie hebben. Maar ter afsluiting wil ik toch nog een volledig gedicht citeren, zij het van een amateur. Het is het enige gedicht dat met enige zekerheid kan worden toegeschreven aan Margaretha van Oostenrijk (1480-1530).

Margaretha had al vroeg in haar jeugd alle vormen van verlies op indringende wijze meegemaakt, wat duidelijk een vormende invloed op haar karakter heeft gehad. Op vierentwintigjarige leeftijd werd zij voor de derde maal weduwe, waarna zij weigerde zich opnieuw te laten uithuwelijken. Dat deze intelligente staatsvrouw haar emotionele behoeften vooral stilde met muziek en literatuur weten we uit verschillende bronnen, waarvan de overgeleverde liedboeken de meest directe zijn. Melancholische teksten, gezet in de laagste registers die de wereld tot op dat moment gehoord had, op melancholische muziek van haar lievelingscomponist Pierre de la Rue, hadden duidelijk haar voorkeur.

#

C’est pour james q’un regret me demeure

qui sans seser, nuit et jour, a tout eure

tant me tourmante que bien voudroie mourir,

car ma vie n’est fors seullemant languir,

Et sy faudra a la fin que j’an meure.

#

De l’infortune pansoie estre bien seure

quan le regret maudit ou je demeure

me coury sus pour me fere mourir,

car ma vie n’est fors [seullemant languir]

et sy faudra a la fin [que j’an meure:]

c’est pour james.

(Marcel Françon (ed.), Albums poétiques de Marguerite d’Autriche (Harvard UP / Paris: Droz 1934) 131 (nr xxv).)

#

Ononderbroken ben ik vervuld van verdriet

dat mij zonder ophouden, dag en nacht, elk uur

zozeer kwelt, dat ik zou wensen te sterven.

Want mijn leven bestaat uit niets dan smachten

en tenslotte zal het wennen, wanneer ik overlijd.

#

Aan het ongeluk te denken is vanzelfsprekend

wanneer dat kwalijke verdriet dat mij beheerst

op mij aanstormt om me te doen sterven,

want mijn leven bestaat uit niets (dan smachten)

en tenslotte zal het wennen (wanneer ik overlijd)

ononderbroken.

#

Eerder verschenen in Kruispunt 162 (december 1995) 67-73.

No Comments

Leave a Reply

Your email is never shared.Required fields are marked *