Léon Spilliaert (1881-1946)

De werkelijkheid, maar dan net even anders

#

Kijken naar het werk van Léon Spilliaert is als dromen met open ogen. Zijn werken, veelal in gemengde techniek, zijn wel omschreven als ‘reëel onwezenlijk’. Vijftig jaar na zijn overlijden vond eerst in zijn geboorteplaats Oostende en daarna in Den Haag een grote retrospectieve tentoonstelling plaats.

Oostende was in de late negentiende en in het begin van de twintigste eeuw een bloeiende badplaats die een belangrijke rol speelde in het mondaine leven van die dagen. Vanaf 1838 had de stad een spoorverbinding met Brussel en door de mailbootverbinding met Engeland was het ook een belangrijke haven. Andere aantrekkelijkheden die er nog steeds zijn en die uit die tijd dateren zijn onder meer een casino, een Kursaal, natuurlijke thermen, een paardenrenbaan, en een majestueuze boulevard met overdekte galerijen die werden aangelegd op instigatie van koning Leopold II (die er ook een villa bezat). Voor Nederlanders ligt een vergelijking met Scheveningen voor de hand, maar Oostende had beslist meer allure en een meer internationale uitstraling.

In deze omgeving bloeiden de kunsten. En dat niet alleen omdat de badplaats kunstenaars van allerlei allooi aantrok, maar ook van eigen bodem. Het meeste faam verdienen wat dit betreft James Ensor en Léon Spilliaert. Beiden zijn in Oostende geboren en bleven daar ook hun verdere leven nauw mee verbonden. Voor James Ensor (1860-1949) is de roem inmiddels ook buiten de Belgische grenzen genoegzaam doorgedrongen, voor zijn jongere stadgenoot Spilliaert droeg de grote overzichtsexpositie van 1996 daar toe bij. Desalniettemin geniet Spilliaert nog niet de bekendheid die hij verdient. Wat zij verder gemeen hebben, is dat beide kunstenaars zich moeilijk in een stroming laten onderbrengen. Binnen de kunst van hun tijd gingen zij elk hun eigen weg.

Een derde belangrijke Vlaamse schilder van wie min of meer hetzelfde kan worden gezegd, is overigens eveneens onverbrekelijk verbonden met Oostende. Dat is namelijk Constant Permeke (1886-1952). Permeke werd geboren in Antwerpen, maar woonde geruime tijd in Oostende en was er medeoprichter en de eerste conservator van het tegenwoordige Museum voor Schone Kunsten. En hoewel beschouwd als de grootste van de Vlaamse expressionisten, is het beste etiket voor zijn werk toch nog steeds zijn eigen naam.

Léon Spilliaert groeide op in Oostende, waar hij op 28 juli 1881 in de Kerkstraat werd geboren. Hij was enig kind en zijn vader had een kapperszaak annex parfumerie, een middenstandsmilieu dat sterk doet denken aan dat waarin ook Ensor was opgegroeid. Ondanks dat zijn vader geen vrolijk man lijkt te zijn geweest, werd de jonge Léon erg vrij gelaten in het ontwikkelen van zijn creatieve vermogens. Afgezien van enkele maanden op de Academie in Brugge in 1899-1900 was van een scholing op dat gebied nooit sprake en terecht geldt hij dan ook als autodidact.

In deze zelfde periode ontwikkelde Léon Spilliaert een grote voorliefde voor de literatuur. Hij werd gegrepen door Nietzsche, een denker van wie hij rond zijn korte academietijd verschillende portretten maakte. Zijn medium had hij toen al gevonden: (gewassen) inkt, aquarelverf, kleurpotlood, pastel en alle mogelijke combinaties daarvan. Daarnaast produceerde hij een bescheiden, maar hoogstaand oeuvre met etsen, steendrukken, en een enkele hout- of linosnede. Of hij zijn creativiteit van zijn vader had, is niet duidelijk. De grootste verdienste van vader Spilliaert lijkt de uitvinding van het parfum met de naam ‘La brise d’Ostende’ te zijn geweest, een naam die Léon ook aan een van zijn werken zou geven. Het is een werk in aquarel en Oost-Indische inkt in een bescheiden formaat, gemaakt rond 1900: ‘Brise d’Ostende – parfum exquis’.

Andere schrijvers waardoor Léon Spilliaert zich liet inspireren, zijn onder andere Edgar Allen Poe en Maurice Maeterlinck. Toch was de inspiratie steeds indirect. ‘Ik ben een slecht vertolker van de dromen van anderen. Ik heb er teveel van mijzelf,’ zou hij later verklaren. Desondanks werkte hij enige tijd als illustrator voor de Brusselse uitgeverij van Edmond Deman, bij wie hij in 1903 in vaste dienst was. Deze samenwerking zou voor Spilliaert van groot belang blijken. Zo maakte hij hierdoor persoonlijk kennis met een aantal schilders en belangrijke symbolistische schrijvers zoals Emile Verhaeren. Met deze laatste ontwikkelde hij zelfs een vriendschap en Verhaeren bleef Léon Spilliaert steeds steunen en stimuleren in zijn werk.

In deze periode moet Spilliaert een getormenteerde jongeman zijn geweest, rusteloos en zeer emotioneel. ‘In de greep van het leven,’ zoals hij in een brief noteerde, lijkt hij vooral van het mondaine leven dat zijn jeugd omgaf te hebben genoten als een in zichzelf gekeerde toeschouwer. In melancholische buien maakte hij lange nachtelijke wandelingen over de verlaten boulevards en deed daarbij indrukken op die hij later in zijn werk meesterlijk wist over te brengen. Vreemde effecten van kleuren bij vervagend licht, de glanzende reflecties van kunstlicht op natte straten, de harde schaduwen en het kille licht van de maan, dat alles keert herhaaldelijk terug in zijn werk.

Verder valt op dat de menselijke figuur in die werken hoogst zelden een belangrijke rol krijgt toebedeeld. Vaak is de mens in zijn werk zelfs opvallend afwezig, zoals in ‘Het restaurant’. En zelfs waar zij nadrukkelijk een rol spelen, zoals in ‘Vrouw op de dijk’ of ‘Vrouw bij de zee’, gaan de figuren volledig op in de compositie en worden zij op de rug gezien. Toch maakte hij wel degelijk ook portretten, zoals het tamelijk bekende portret van Emile Verhaeren waarvan enkele versies bestaan. En bijvoorbeeld ook van een internationale beroemdheid als Andrew Carnegie. Tevens maakte hij gedurende zijn leven een hele reeks zelfportretten. Opnieuw experimenteerde hij daarin vaak met licht en kleur, evenals met verrassende perspectieven en uitsneden.

Perspectief is trouwens in al zijn werk een opvallend gegeven. In zijn zelfportretten gebruikte hij vaak spiegels die tegenover elkaar zijn geplaatst, zodat een fascinerend ‘Droste-effect’ ontstaat. Buiten toont hij een grote voorliefde voor sterke verkortingen die een grote diepte suggereren. Opvallende voorbeelden daarvan zijn onder andere ‘Koninklijke galerijen van Oostende’ en ‘De nacht’ (met hetzelfde onderwerp), en het hallucinante ‘De aanval van de Apachen op de Pont de l’Alma’.

Ook in zijn landschappen is het perspectief steeds van groot belang en slaagt hij erin met minimale middelen een grote ruimtelijkheid te suggereren. Vooral de twee steendrukken ‘De dreef’ en ‘Winterlandschap’ zijn op dit punt erg knap. Later, in de Ardennen, lijkt ook de vaste regelmaat waarmee daar sparren zijn aangeplant en strak in het gelid staan sterk tot zijn verbeelding te hebben gesproken.

In 1903 leerde Spilliaert in Brussel ook Paulette kennen, de dochter van uitgever Edmond Deman. Door zijn ongedurige en eigengereide karakter had Spilliaert nogal moeite in de omgang met vrouwen, maar Paulette Deman werd een hartsvriendin bij wie hij weerklank vond en op wie hij steeds kon terugvallen.

Dat deze ontwikkelingen en nieuwe vriendschappen hem sterkten en hoop gaven voor de toekomst blijkt wel uit de reisplannen die hij maakte en het voornemen om zich te vestigen in de Belgische Kongo. Om gezondheidsredenen ging dat uiteindelijk niet door, maar in 1904 bezocht hij wel Parijs waar opnieuw Emile Verhaeren hem opving en steunde. In november van dat jaar vestigde hij zich dan weer in Oostende, al bleef hij Parijs voortaan wel regelmatig bezoeken. Ondertussen werkte hij gestaag door en bleef hij ook voor Deman boekillustraties verzorgen. In 1909 nam hij voor het eerst deel aan een tentoonstelling van de Salon de Printemps in Brussel.

Daags voor Kerstmis 1916 trouwde Spilliaert met de eveneens Oostendse Rachel Vergison, waarna het paar zich vestigde in een randgemeente van Brussel. De Eerste Wereldoorlog was in volle gang, maar een poging om de verwoestingen daarvan te ontvluchten en zich in Zwitserland te vestigen, mislukte. Fascinerend is, dat Stefan Zweig – ondertussen een kennis – ervoor wist te zorgen dat Spilliaert een baan kon krijgen als artistiek adviseur van niemand minder dan Lenin. De geboorte van Madeleine, Spilliaerts enige kind, weerhield hem er echter van dit aanbod te aanvaarden. Meteen na de oorlog en nog in 1918 vond zijn eerste solo-expositie plaats. Spilliaert was toen al een bekend en gewaardeerd kunstenaar en zal in de daaropvolgende jaren regelmatig exposeren.

Van 1922 – Vlaanderen is dan volop in de wederopbouw – tot 1935 woonden de Spilliaerts weer in Oostende. Eenmaal gekozen thema’s behandelde hij regelmatig opnieuw. Opvallend voorbeeld daarvan uit deze periode zijn de afbeeldingen van poppen in aquarel of aquarel en gewassen inkt. De directie van de Oostendse Kursaal deed rond 1930 dergelijke poppen cadeau aan dames die dineerden in de ‘Ambassadeurs’. Léon Spilliaert lijkt ze de plaats van de badgasten te laten innemen, ongeveer zoals Ensor zijn personages van maskers voorzag.

In 1935 vestigde het gezin Spilliaert zich in Brussel, waar dochter Madeleine het conservatorium bezocht. Vanuit Brussel werd regelmatig de Ardennen bezocht. Spilliaert ontwikkelde daar een grote voorliefde voor het schilderen en tekenen van bomen en bosgezichten. Na de kust werd dit op kunstzinnig gebied zijn tweede passie.

Met veel oog voor detail tekende hij het kantwerk van kale takken tegen een heldere winterse lucht of de onheilspellende vormen van knoestige stammen met een ruwe bast. Het bekendste werk uit deze late periode is misschien wel ‘De brandgang’ uit 1944 waarin het bos de architecturale kwaliteiten van een gotische kathedraal krijgt. De zomervakanties bleef het gezin echter doorbrengen aan de kust en nog in 1945 tekende Spilliaert ‘De Wellingtonrenbaan te Oostende’. Dat lijkt het afscheid te zijn geweest van zijn geboorteplaats. De Tweede Wereldoorlog, doorgebracht in Brussel, vormde voor het gezin een zware periode en op 23 november 1946 overleed de kunstenaar. Hij werd in Oostende begraven en al in 1947 werd in Brussel een eerste overzichtstentoonstelling van zijn werk gehouden.

#

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in Vitrine 9/2 (1996) 8-12.

No Comments

Leave a Reply

Your email is never shared.Required fields are marked *