Levensvreugde

Reclame voor de orang ketjil

#

Hendrik Freerk Tillema was Fries van geboorte. Hij werd apotheker en in 1896 vertrok hij – zesentwintig jaar oud – naar Nederlandsch-Indië om daar zijn geluk te beproeven. Hij vond er werk bij de ‘Samarangsche Apotheek’ in Semarang aan de noordkust van Midden Java, waar hij volgens contract na drie jaar als compagnon in de zaak werd opgenomen. Het ging hem goed en in 1899 werd hij niet alleen compagnon, nog in datzelfde jaar maakte hij de zaak tot zijn eigendom.

Maar Tillema was niet voor pillendraaier en poederweger in de wieg gelegd. Een nieuwsberichtje over de verkoop van koolzuurhoudende dranken op Java zette hem aan het denken en nog in 1899 begon hij als onderdeel van de Samarangsche Apotheek een bedrijfje voor gebotteld tafelwater. Zijn passie voor hygiëne drukte hij uit in de merknaam die hij voor zijn waters bedacht: Hygeia. Tillema was een man met visie die snel nieuwe ideeën oppikte en die zonder veel omhaal zelf conclusies trok uit wat hij zag. In zaken betekende dit, dat hij een succesvol ondernemer was die al vroeg doordrongen was van het grote belang van goede reclame en naamsbekendheid. Deze eigenschappen legden hem geen windeieren. Hij bouwde al in 1901 de eerste moderne fabriekshal in Nederlandsch-Indië – de eerste in de archipel die werd opgetrokken van gewapend beton – en hij werd de eerste bezitter van een automobiel op Java. Als plaatselijk notabel was hij ook enige tijd lid van de gemeenteraad van Semarang.

Tot zover allemaal weinig bijzonders – het gewone verhaal van de Nederlander die fortuin maakt in ‘Onze Oost’. Maar er is meer. In 1910, hij was toen gemeenteraadslid, werd Semarang getroffen door een cholera-epidemie waarmee Tillema, mede door zijn vriendschap met de stadsgeneesheer De Vogel, direct werd geconfronteerd. Deze ervaring maakte hem er van bewust hoe zijn eigen belangstelling voor een goede hygiëne scherp contrasteerde met de harde realiteit van de Indonesische kleine man, de orang ketjil. Dit, en het heldere inzicht dat de Europese welvaart vrijwel volledig mogelijk werd gemaakt door juist de inheemse bevolking van de tropische koloniën, zouden de rest van zijn leven bepalen.

Meteen al in 1911 verscheen zijn eerste boek, met de pakkende titel Riooliana. Het is een overzicht van de toestand van de (vrijwel ontbrekende) sanitaire infrastructuur van Semarang op dat moment, en van plannen en voorstellen ter verbetering van die toestand. Als een ervaren reclameman voorzag hij dit boek ruimschoots van foto’s en uitvouwbare kaarten. Hiermee had Tillema zijn ware levensdoel gevonden. Voortaan zou hij zowel de kolonialen in Nederlandsch-Indië als de Nederlandse bevolking in het moederland indringend confronteren met de gebreken en misstanden in de kolonie. ‘Ach, ging er maar weer eens een rilling door Nederland,’ schreef hij in een van zijn publicaties. In 1913 publiceerde hij Van wonen en bewonen, van bouwen, huis en erf, waarin hij de lokale woontoestanden grondig documenteerde en waarvan hij hoopte dat het de bewindhebbers tot verbetering van die toestand zou aanzetten.

In 1914 verhuisde Tillema terug naar Nederland. Hij had een kapitaal vergaard waarvan hij zijn verdere leven kon rentenieren en hij besteedde de rest van zijn tijd aan het publiceren (in eigen beheer en op eigen kosten) van een massief overzicht van de sociale toestand in de kolonie. Het werk zou uiteindelijk zes delen beslaan en draagt als titel Kromoblanda (zoiets als ‘bruin en blank’). Daarnaast publiceerde hij nog wat kleinere brochures, een lange reeks artikelen in allerlei dagbladen, en maakte hij twee films over zijn reizen in de archipel.

Net als Riooliana is ook Kromoblanda uitbundig geïllustreerd. Tillema legde een immens fotoarchief aan waartoe hij zich door allerlei contactpersonen uit de kolonie materiaal liet toesturen. Het belangwekkende van dit archief is, dat het de keerzijde toont van tempo doeloe. Niet het koloniale dolce far niente, niet de luxe landhuizen, de moderne fabrieken en de plantages, niet de weelderige natuur, en niet de exotische bevolking staan bij hem centraal, maar de noodzaak van hygiëne en een goede gezondheidszorg, van betere woonomstandigheden en een fatsoenlijke rechtspositie voor de inheemse bevolking. Niet dat Tillema daarmee een revolutionaire antikoloniaal was. Het enige dat hij wilde bereiken was een beter leven voor de bewoners van de tropen, zonder wie Europa niets zou zijn. Hij was bepaald ook niet te beroerd om op te schrijven dat een beter (menselijker) beheer van de kolonie ook de productiviteit van het koloniale bewind ten goede zou komen.

Tillema stuurde zijn publicaties kosteloos toe aan allerlei leden van de diverse overheden van wie hij hoopte dat zij iets met zijn suggesties zouden doen. Die respons bleef uit. Weliswaar werd zijn bewogenheid erkend en met lof ontvangen, maar niemand bracht het op om bestaande toestanden te veranderen. Na zijn dood in 1952 raakte zijn werk ook al snel vergeten. Zijn omvangrijke verzameling foto’s en documentatiemateriaal verdween in het archief van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden, waar zij nauwelijks enige aandacht kreeg. Als Nederland nog aan Oost-Indië wilde worden herinnerd, dan liever in termen van tempo doeloe.

Het is de volharding van Ewald Vanvugt geweest die Tillema uit de vergeethoek haalde. Vanvugt deed zich al eerder kennen als het enfant terrible van de volkenkundige musea, en van de tempo doeloe-denkers in het bijzonder. Onder de titel Een propagandist van het zuiverste water geeft hij Tillema postuum de erkenning die deze voorvechter van de menselijkheid verdient. In feite is het een fotoboek geworden, met een ruime keuze uit Tillema’s fotoarchief, vaak met de oorspronkelijke bijschriften en in contrasterende paren naast elkaar afgedrukt zoals ook Tillema dat zelf graag deed. Het zijn vrijwel steeds foto’s die uiterst gemengde gevoelens oproepen. Hadden fabrieksarbeiders in Europa in het begin van de twintigste eeuw het zoveel beter, vroeg ik me bijvoorbeeld bij herhaling af. In de negentiende eeuw zeker niet, over het begin van de twintigste twijfel ik.

Maar het grootste verschil is toch wel dat de bazen op deze foto’s steeds blanke mannen zijn en de arbeiders bruine mannen en vrouwen. Alleen al dat kleurverschil betekent een wereld van verschil met de situatie in Europa, waar bazen en knechten van dezelfde kleur waren en waar zich tussen beide groepen ook nog een rijk geschakeerde ‘middenstand’ bevond. Het is juist dit rassenonderscheid dat de koloniale situatie zo schrijnend maakt. Maar toch, mogen we in de volgende uitspraak van Tillema ‘blanken’ vervangen door ‘bazen’? ‘Waar de invloed der blanken het grootst is, is het moreel der bevolking het diepst gezonken.’ Tillema merkte ook op dat een belangrijke oorzaak voor het verdwijnen van volken ‘de beroving van levensvreugde’ is. Ook dat is niet zonder meer een koloniaal verschijnsel.

Maar, en ook Tillema hamerde daarop, naast alle vernietigende invloeden, heeft de Europese invloed ook de komst van moderne medische kennis gebracht, met onder andere al vroeg in deze eeuw massale inentingscampagnes in de hele kolonie. Een propagandist van het zuiverste water is daarmee een confronterend boek, ook vandaag nog. Het roept fundamentele vragen op over hoe mensen met elkaar omgaan en ingrijpen in elkaars leven, niet alleen in een afgesloten verleden aan de andere kant van de wereldbol, maar ook hier en nu.

Ewald Vanvugt, Een propagandist van het zuiverste water. H.F. Tillema (1870 1952) en de fotografie van tempo doeloe. Amsterdam 1993.

Eerder verschenen in Kruispunt 155 (december 1993) 12-14.

No Comments

Leave a Reply

Your email is never shared.Required fields are marked *